Was, zum Teufel, gehen eigentlich andere Leute meine Erlebnisse an?
(Erich Mühsam, Namen und Menschen)
Was, zum Teufel, gehen eigentlich andere Leute meine Erlebnisse an?
(Erich Mühsam, Namen und Menschen)
Toen ik vijf jaar geleden voor het eerst sinds lang de zonnewijzer in het zeer benepen en druk bescheten stadspark van Dendermonde terugzag, bleek die uit niet veel meer te bestaan dan een arduinen klomp op een verhoog met in het midden een verroeste ijzeren staaf en rondomom wat Romeinse cijfers, - wat een desillusie. Zes jaar lang, van mijn nulde tot mijn zesde als dat er al geen zeven waren, was deze zonnewijzer het middelpunt van mijn bestaan geweest, en onze wekelijkse wandeling erheen - mijn vader, mijn moeder en ik hand in hand als kameraden, het nooit meer geëvenaarde hoogtepunt in het trieste leven van zij die mij baarde. Of mijn vader ook van zonnewijzers hield of hoogtepunten kende en misschien een mens was zoals wij, is in de gedachten van mijn moeder of mezelf nooit opgekomen, hij verdiende het brood dat wij opaten en deed op zondag de afwas, punt uit. Mijn moeder van haar kant was al voorzitster van het Front National toen Le Pen nog niet eens geboren was, en ikzelf was al drie keer bijna dood geweest toen alle doen en ieder laten van mijn vader samen met wat hij niet meer had en alles wat hij afgenomen was nog altijd zeer pijnlijke doornen waren in het allesziende overheidsoog. (Ze gingen hem dit en ze zouden hem dat, want hij had in de oorlog zus en de vijand zo, maar ze vingen bot en als sukkels van het schipperskwartier besloten ze hun doofstomme pijlen dan maar op mij te richten, - de overheid, bah.) Iedere zondag slenterden en drentelden we gekleed alsof we ten paleize werden verwacht van het Sas al over de Beestenmarkt via de Vlasmarkt langs de enige winkelstraat van de horribele City of Sin. Twee foururenwinkels, evenveel meubelzaken, een parfumerie, een loodgieterij, de stoffenwinkel van Joske de plaatselijke koster - want kerken alom waar iedereen schijnbaar heilig is maar in feite niemand deugt, en voor het overige niets dan afgestoft puin en opgesmukte rommel. De Brusselsestraat, om u ziek te lachen, de naam alleen al, en toch mag ik niet vergeten de papierwinkel van de gebroeders Tas te vermelden, want zij hebben zich rijk geschraapt op het zweet van honderdduizend leerlingen, ik kan het weten, ik was er zelf een. Ieder schooljaar moest elke scholier bij hen iedere dag op straffe van twintigduizend nieuwe schriften van een onbestaand formaat en een niet nader genoemd merk kopen tot vaders bruin het trekken moe was, en de analfabete broeders van de vakschool met poort en broek op een kier wenkten. (Vlaanderen boven!)
Soms was het bij de gebroeders Tas een strijd op leven en dood om aan het nodige gerief te geraken, om tien voor vier ging de schoolbel en een tsunami van vele honderden leerlingen ontplooide zich derwaarts. Ik moest dan nog vlug eerst naar huis om de nodige centen en centimes op te halen, en dan te voet erheen, want ik had geen fiets vanwege te gevaarlijk of te duur, ik weet het niet juist meer. Ik herinner me nog meer dan één huilbui wanneer ik me in het gedrang weer eens vergist had en aan een der heren Tas schuldbewust betaalde wat ik niet nodig had, - zo bijvoorbeeld een Atoma-schrift van 124 geruite bladzijden, ik kon amper lezen en schrijven, wat moest ik ermee, waar zat Delcroix nu ik hem nodig had? Of toen ik bij de Stier aantrad met zeven verkeerde potloden omdat alle anderen uitverkocht waren, drie weken lang een nul en mijn potloden de vuilbak in, en toch bleef ik in God geloven, toen al tegen beter weten in. Ooit moest ik met ezelsoren op in de hoek staan omdat mijn moeder uit armoede mijn potje Chinese inkt had aangelengd met weet ik veel wat en zich op weg naar school een zeer bizar chemisch proces had voltrokken. Wilden mijn moeder en ik net voor sluitingstijd bij Tas de verkeerde waren gaan omwisselen dan zeiden de papiermaffiosi dat zoiets niet kon, tja, zo is rijk worden niet moeilijk. (Maar madame Francine die mocht wel omwisselen, want zij woonde in de Kerkstraat, haar man deed aan verzekeringen en kon typen. En madame Goris, God hebbe haar ziel want zelf had ze er geen, … ssst: Feind hört mit.) Ieder jaar dansten de reuzen, en om de zoveel jaar werd een met de hand gemaakt houten paard van wel duizend kilo of meer door de straten gesleept door een handvol alcoholisten en twaalf krachtvoervreters, ik vraag me nog steeds af waarom. (En al de inboorlingen maar zingen en dansen als kleine kinderen, - folklore? Neen, het eten is klaar, salut.)
Mijn moeder hield ervan om met de rug van haar eeltige handen zachtjes over de glimmende zijkant van haar veel te duur betaalde dressoir te strijken, en helemaal van de kaart raakte ze als ze haar zijden sjaaltje uit de Innovation tussen duim en wijsvinger liet glijden, spijtig dat oom Bullebak alias Oscar er met zijn stomme sigaar een gaatje had ingebrand, - al de rest was in haar ogen en door haar toedoen kommer en kwel. Aan twee voeten om op te staan had ze genoeg, of haar hoofd wel eens tot de hemel reikte hebben we nooit geweten, ik daarentegen. Dan dacht ze aan Bella, de geit die in de boomgaard - appelen, peren, krieken, pruimen, kersen en zoverder, graasde en geleerd was van kersen die ze van de grond plukte de pitten uit te spuwen, en neen, niet op een kapotte teljoor die aan de rand van het stukje weiland stond, of gaat ge de zot houden met mij? Maar minder dan een minuut later kon storm opsteken en veranderde moeders bloed in een fles azijn van het merk De Blauwe Hand. Als ze zag wat een moeite ik op mijn blote knietjes zat te doen om al blazende vlam te krijgen in een te zuinig bemeten propje krantenpapier, want gratis huis aan huis bladen bestonden toen nog niet en ook ander papier was schaars ten huize van analfabeten. Van voren zag ik al zwart van de rook, en van achteren bruin van het blazen, nu ja. Zeer langzaam vatte hier en daar een splintertje hout vuur, en zie van het een kwam het ander: onverwacht sloeg de vlam dan toch in de pijp, - als van gisteren herinner ik me nog de geur, oh kleine Surdiac van mijn dromen, laat ze niet in rook opgaan. Een Nestor Martin, bah, zeiden we wel eens tegen elkaar want niemand anders luisterde naar ons, maar hoe spijtig vonden we het niet dat we er zelf geen hadden, edoch, edoch, de jaren vijftig: een Surdiac kostte maar half zoveel als een Nestor en woog ook veertig kilo, al gaf hij amper warmte. (Hadden de mijnwerkers nu eens goud gedolven in plaats van kolen, de Verannemansen waren nooit zo rijk geworden. Huis voor huis zeven dorpen in het rond stonden er kolenkachels te gloeien die zij verkocht hadden, sommige van wel vierduizend frank, maar nog voor de winter goed en wel bezig was waren de mica’tjes in de deurtjes al doorgebrand, en waar waren die te koop? Juist. Speckman deed ook in kachels, en had een vals gebit, maar hij deugde evenmin, drie weken moesten we wachten op een nieuwe rooster, zei hij, tegen dan zijn we doodgevroren, brieste mijn moeder terug, en we trokken naar Verannemans en die had er zes in zijn magazijn liggen, maar eerst moesten we nog naar huis om meer geld.) Nu was het kunst om beetje bij beetje kolen op te gieten om zo tot de rode gloed te komen waaraan mijn vader straks zijn voeten zou warmen niet wetende dat wij hier al de godganse dag hadden zitten zweten van de kou. We zeiden niets, maar moeder en zoon wisten maar al te goed hoeveel honderd kilo kolen kostten, en dat ge verdorie goed moest oppassen of vette Wis schepte er twintig kilo gruis en veel vettige boel tussen, maar toch was vroeger alles beter in de ogen van hen die ook nu de boel om zeep helpen. Zo zag ik eens rooie Tommy met ik weet niet meer wie ruziën om een plankje hout, vier jaar later waren ze alle twee dood en begraven. Van cremeren was toen nog geen sprake.
Neen, ik ga niet koesteren wat is vernietigd,en heimwee ken ik evenmin. Mijn boodschap is: hop, hop, vooruit en niet omzien, want anders val ik op mijn gezicht, en ik zie er nu al niet uit. Daarom echter zeggen dat ik …, neen, zo zit ik nu ook weer niet in mekaar. Zodoende.
Wat is Dendermonde, als het al iets is? In mijn ogen een gevangenis met er rond een aantal bewoonde en onbewoonde panden waartussenin zeloten over en weer lopen met emmertjes water die ze vullen en legen. Vroeger was er ook een kazerne, en hier en daar een legerdepot, zelfs enkele fabriekjes en er werd aan bidden en prevelen gedaan, de kinderen genoten er van onderwijs en de notabelen van de kinderen. Wat rest zijn huizen die verkocht zijn of appartementen die te huur staan, bejaarde misdienaars in een rolstoel, de voorzitter van de postzegelclub die zijn gouden jubileum viert en zakjes voedsel die de houdbaarheidsdatum hebben overschreden. Een hele zomer lang zal echter dit jaar het houten paard dansen, en de optocht zal glorieus zijn, de belangstelling massaal, de middenstand door het dolle heen, de winst fenomenaal, de dragers zatter dan ooit en de politiekers, zwijg me van de politiekers, want weldra wordt een nieuwe gevangenis gebouwd, - de toekomst is verzekerd. Maar om te eindigen op een vrolijke noot: de burgemeester zo daar al sprake van is draagt zijn hoofd kaal. (Ik niet.)
Hoe dikwijls heb ik niet op mijn blote knieën tot God en de Zijnen gebeden om toch als ’t u blieft als het enigszins mogelijk zou zijn in ruil voor veel vergiffenis en ik weet niet meer hoeveel novenen of aflaten mijn ouders dood te laten gaan, - een halve eeuw later was het dan eindelijk zover, en het spijt me nog steeds. Ik gaf de Goede Heer, alias the Good Lord, die al eeuwenlang van hoofdletters en wierook houdt maar sterfeloos is, zelfs aanwijzingen, wees hem de kortste weg naar Grembergen en maakte hem wijs dat mijn vader en moeder uit boodschappen waren gaan doen, wat niet waar was: ze waren naar tante Hermiet in de hoop een kilootje appelen of peren te versieren. (Zij was ook de enige die we kenden met een mispelboom in de hof en dat was haar aan te zien.) Laat ze alle twee verongelukken, o Heer, zo smeekte ik, in elkanders armen desnoods, doe ze door het rode licht rijden, veroorzaak plotseling een zeer plaatselijke oorlog, maak dat ze in een ravijn storten, achteraf beschouwd is zoiets in een streek waar zelfs heuvels ontbreken en vreemdelingen niet welkom zijn een nogal heikele bede. Jedoch, als alleenstaande wees zou ik alles erven, ook al was er niets, maar dat kon me niet schelen, ik zou tenminste van mijn Bretoens kleerkastje af zijn, en het bureeltje van Louis Zeis zou ik opstoken in de mazoutstoof. Ik zou de sigaartjes van mijn vader oproken en zijn goedkope sigaretten weggooien, de achthonderd potten rabarberconfituur van mijn moeder zou ik aan een goed doel schenken. Latijn en Grieks studeren zou ik niet meer doen, maar keuterboerke worden des te meer, al mijn kleren zou ik verkopen en er mij nieuwe aanschaffen van het merk Wrangler of van Lee Marvin. Ho, wat zou ik opzien baren in het stadje waar anders nooit iets gebeurt en een wind van de dorpsoudste als een orkaan wordt ervaren. Ja, daar zat ik, hoopvol en toch schuldbewust tot plotseling ringring, want ze waren hun sleutel vergeten. Alles in huis was netjes aan de kant, niet één lege fles tussen de volle, elk vuiltje gelegd waar het hoorde en de vloer van het keukentje vers gedweild, de Heren van Zichem mochten komen, en Eliot Ness ook, ach, waarom niet. Ik zou het anders moeten aan boord leggen, zoveel was duidelijk, en tegelijk zon ik op wraak want die Goede Heer was dan toch niet zo lief als ik me Hem had voorgesteld. Ik dacht: ik saboteer de auto, ik snijd de remmen door, maar ik kon ze niet vinden. (Van de fiets de banden plat zetten had geen zin, want ik was in huis de enige die aan fietsen deed, en nu staat hij hier in de gang nutteloos af te takelen met twee spaken te weinig in het achterwiel.) Dan dacht ik, met een stuk tuinslang leid ik de uitlaat van autootje Kever naar binnen, zo doen ze het in Midsomer ook en dat is drieduizend kilometer van hier. Ik doe de ramen toe, start de motor en doe de deuren op slot. Juist op tijd bedacht ik dat niet zij, maar ik in de auto zat. Dat is dan al met al nog redelijk goed afgelopen, en na een week of twee was ik al terug de oude, want ik had mijn haar grijs laten verven. Ik werd voortaan wel stevig in de gaten gehouden, al was het niet door mijn ouders en om andere redenen. De twee bobs van mijn geboorteoord hadden geruchten opgevangen dat ik het koninklijk paleis en de kerncentrale van Doel die toen nog moest gebouwd worden ging opblazen, maar dat zei ik omdat ik in de wind was. Ik moest lachen, want mij lonkte het grote werk: een goddelijk plan vol duivelse listen en menselijke tekortkomingen. Sindsdien zit ik werkeloos thuis te niksen. (Alle begin is moeilijk.)
Als min of meer mislukte boreling en op zijn mond gevallen zuigeling, die meer dan zestig jaar later nog steeds niet tot ernstig spreken in staat is en zelfs op een rechtbank alleen maar van onbenulligheid getuigt, werd ik een jaar lang geborgen en verborgen in een rieten mand zonder handvatten, en zoals achteraf zou blijken: beter ben ik er niet van geworden, maar anders had ik het niet gewild. We bewoonden de bovenste etage van wat mijn vader toen hij uit huren ging voor een huis had aangezien, en rondom ons zaten al jaren tussen valse plafonds of in kasten die geheime kelders waren Duitsers en Engelsen verscholen, en ook al waren het Belgen ze deugden niet. Helft der jaren veertig van de vorige was dat, en zo nu en dan ontplofte nog een bom van een onbekend maar waarschijnlijk Duits merk, - op een dag verdween zo zelfs de hele linkerhoek van onze straat in het complete niets, maar omdat er toen nog geen sprake was van slachtofferhulp gingen ook de daders vrijuit, meer nog: ze werden gedecoreerd. Nu huist daar een apotheker met neonlicht en kapsones, maar over hem geen kwaad woord, want hij is een notabele wiens macht etc. (“Goedenavond, meneer de apotheker.” “?” en misprijzen is al veertig jaar mijn.) De etage onder ons verbleven, want van wonen was in hun geval geen sprake, zonder meubels en zonder manieren Raspoetin en zijn broer Anna. Ze gaven zich uit voor operazangers uit Slovenië, maar het waren gvd. ordinaire dieven uit Klein Zwijveke. Ik hoor mijn moeder nog roepen dat het moest gedaan zijn, en toen mijn vader haar woorden met een ijzeren staaf kracht ging bij zetten was hij rapper dan de vliegen terug boven. Geen van ons is die dag nog buiten geweest, al stond onze emmer voor u-weet-wel op de traphal, want stromend water hadden we niet en een toilet evenmin. We hadden onze deur gebarricadeerd en hielden ons muisstil, en dat was genoeg voor de soortgenoten om uit hun holletjes te komen gekropen, van pannenkoeken bakken was dan ook geen sprake meer al was het putje winter, maar ik vond het zo ook leuk. Bij Raspoetin en C° stonk het altijd naar in overjaarse boter gebraden worst van hond of kat, en omgestoten melk die betere tijden had gekend maar nu groen lachte naar Raymond, een ouwe tandeloze zwerfkater van het zeer mannelijke geslacht. Zelf werd ik ter plekke zes of zeven jaar, en niet ver van het enige venster dat zowel open als toe kon kweet ik me zorgvuldig van mijn eerste huistaken: schriftelijk bevestigen dat een plus een twee was en op het lijntje daaronder dat een plus twee drie was, alsook de kaligrafische uitvoering verzorgen van het hele alfabet behalve de letters x, y en z die om begrijpelijke redenen slechts vanaf het tweede studiejaar aan bod kwamen. Eigen stoef stinkt, maar ik was wel zeer goed in dat alles, ook al zou een leek uit mijn puntenaantal het tegenovergestelde hebben afgeleid. (Hebben we daar dan zolang in dat krot gewoond, ik kan het me niet meer voorstellen. Als het regende waren alle hens aan dek om de hele etage vol potjes en pannen te zetten, zetels te verschuiven en plastiek over het bed te leggen, om dan met z’n drieën onder een zeil te kruipen en te zingen van hoepsasa en poeplala, terwijl rondom ons drup, drup, drup. En als het vroor stopte mijn moeder alle gaten en spleten vol met in karamelsaus gedrenkt gazettenpapier.) Alle dagen op hetzelfde uur dat ik me niet meer herinner bracht bakker Marcel vers brood, behalve op zondag. Zelf kon ik gemakkelijk vier sneetjes op, lichtjes gebakken in een beetje melk met een opgeklopt ei doorheen, en daar dan bruine suiker bovenop, elke boterham zorgvuldig in rechthoekjes gesneden, en mijn soldaatjes waren klaar om in warme chocomelk gedopt te worden, - het mag dan ook niet verbazen dat ik later dienstweigeraar ben geworden. Iedere week was er Albert, niet de Koninck maar Veroughstraete met twaalf verse eieren en een pakje melkerijboter, en eens per jaar bracht hij met paard en kar tweehonderd kilo aardappelen en een zakje sproeisel, opdat ze niet voortijdig zouden schieten, een probleem dat de zorgzame huisvader niet onbekend in de oren zal klinken. Voor de levensnoodzakelijke koeienmelk zorgde Henri, zeer toepasselijk door ons de melkboer geheten, - een vondst van mijn moeder waar ze zo fier op was dat ze op den duur iedereen, maar ook de bakker en de beenhouwer melkboer noemde. (En nog steeds: als ik in de verte dikke Pier of Jean-Mietje de Decker zie afkomen, roep ik dat de melkboer er is.) Op woensdag was er Elske, minder dan vel over ontbrekende benen, we moesten de deur voorzichtig openen want van de simpele courant d’air kon ze de vergetelheid in geblazen worden. Elske verheugde ons iedere week rond vier uur in de namiddag met een nieuwe Rosita, twee kruiswoordraadsels, zes knippatronen op boterhammenpapier en het leven van Anna Theresa. Naarmate we de sociale ladder moeizaam, doch in de verkeerde richting beklommen, want dalen voor stijgen aanzagen, mocht Elske daar op een dag de tweewekelijkse Burda aan toevoegen, en één keer vroeg ze met toegeknepen beentjes of ze niet eens naar het toilet zou mogen gaan, alstublieft madam. Dat nooit meer, zei mijn moeder achteraf. Ik heb nooit begrepen waarom, want ge had verdorie een vergrootglas nodig om te zien wat ze had achtergelaten en wij hadden er geen, soit. Ik ben nog gaan kijken, maar toch, drie jaar later, Elske was vervangen door Rita die op haar vingers kon fluiten en haar op de benen had, en mijn moeder achtte het ogenblik gekomen om ons te abonneren op Schöner Wohnen. Toen mijn moeder enkele jaren geleden stierf en de doodsoorzaak een mysterie bleek, lag er een complete jaargang binnen haar handbereik, alle bonnen waren ingevuld, maar bij gebrek aan Duitse postzegels nooit verstuurd. Breiwol bereikte ons per post, met de persoonlijke groeten van de drie Zwitsers die een bijhuis hadden in Doornik, maar helaas geen Nederlands kenden, zodat de broek die mijn moeder mij had gebreid uiteindelijk een zwembroek voor mijn vader werd.
Veel meer valt er vandaag over toen niet te vertellen, tenzij dat we vanuit onze venster dagelijks toekomstig minister Jan zagen passeren, en dat de trap naar ons hok zeer smal en steil was. Dat is dan ook een van de redenen waarom ik nog altijd een beetje mank en soms vergeet wat ik niet heb opgeschreven, wat me vooral bij het boodschappen overkomt. Had Bertold Brecht ooit van ons bestaan geweten, hij had vast en zeker de Nobelprijs gewonnen, meer nog: hij had wellicht geen boeken geschreven. Kunst en cultuur daar moesten we niet van hebben, mijn ouders zijn dood, maar ik nog steeds niet. (Herlees maar even, er staat wat er staat.) Op de eerste Triënnale van Brugge hebben we ons ziek gelachen met een geschilderde koffiepot van Slabbinck, maar ik was toen al zestien of zeventien jaar. Het begon met mijn vader die er ons op wees dat er geen teut aan was, - haha, haha. En toen viel ons op dat de tafel maar drie poten had, ja, onze dag kon niet meer stuk, billen kletsen en boze blikken van al de anderen. ’t Zal ne Picasso zijn, schaterde mijn moeder. Neen, ne Cyriel de Mesmaecker, bulderde mijn vader, want Cyriel woonde maar vijf huizen vandaan, en die was niet goed snik. Ik beschouwde het als een studiereis en had een catalogus gekocht, maar de ontdekking van de dag was wel Roger Raveel, ja, jongens, waren we daarvoor naar Brugge gekomen. Nog wekenlang hebben we er plezier aan beleefd, de catalogus hebben we ter plaatse weggegooid, en van kunst bestuderen is nadien niet veel meer in huis gekomen, wel ben ik sindsdien twintig jaar of langer galeriehouder geweest. Maar kunst? Neen, dank u.
Wat er in de kast lag. Een: mijn Engels petje. Twee: de fameuze geruite blazer die me nooit gepast heeft en die mijn moeder had gemaakt uit een afgedankt tafelkleed, wat niet wil zeggen dat ze niet kon naaien. Drie: de blauwe broek van oeroude stof die bleef rechtstaan ook als ik ze niet droeg. Vier: zeven onderhemdjes zonder mouwen. Vijf: ga zo maar door, want tot in de puntjes lag alles mooi gevouwen en ordentelijk gestapeld in de waardeloze kast van haar dromen, maar wat ben ik zelf gegroeid sindsdien, en hoe weinig stel ik desondanks toch maar voor, minder dan niets zelfs. Mijn moeder was niet tot weggooien in staat, en dat had ze van geen vreemden: sandalen maat 28, een blikken doos met vijf afgekloven stompjes van oorspronkelijk zes lange kleurpotloden, een enveloppe met de knopen van al de werkbroeken die mijn vader ooit had gedragen, twee identiek dezelfde witte overhemden want missen is menselijk, - ach, laat me hiermee stoppen, moderne schrijverij is aan mij niet besteed, ik heet niet Proust en Nolens ben ik niet. Twee weken na haar dood lag alles en veel meer netjes geschikt te wachten op een generatie die haar of mij nooit het hof zou maken, de radio was stuk en afwas stond er niet, maar was er daarom sprake van zelfmoord, ik weet het niet. Alhoewel: twee stapeltjes kinderkleding achter troep allerhande, ertussenin voor de goede geur twee stukjes roze zeep van Hotel Regarde nog in de originele verpakking alsof op ieder moment weer oorlog kon uitbreken of een gedwongen verhuis met kar en paard naar onherbergzaam gebied nodig zou zijn. (Drie kloppen op de deur, soms niet eens dat, begin jaren veertig der vorige. Het geschalm en geschel van treinen die moeizaam tot stilstand komen en stoom aflaten, zie de collage van Alexander de Bruijn, vluchteling, putje winter, noem de grote steden van toen, maar ook Birkenau, Natzweiler-Struthof, Groβ-Rose, Bergen-Belsen, mensen die niet weten waaraf of hoe of waarom, voor wie geen keren meer is. Zelf keer ik nooit, ik ben. Steeds. Overal.)
Op een dag is de kast in het verkeerde hellegat beland, de gouden horloge siert nu de pols van een ander, de ringen en sierraden zijn verpatst, de dromen verzwolgen, en met de beste wil van de wereld kan ik me niet voorstellen waarom mijn vader en mijn moeder een leven lang leed is aangedaan, ja, om een handvol kluiten wellicht, ik weet waarover ik spreek, - de wereld begrijpen is aan mij niet besteed. Aan de muren van mijn kamertje twee hoog hing geel behang met Griekse motieven, de bevloering was van grijs doch gevlamd linoleum, de deur gemaakt van uitheems hout. Vierentwintig uur per dag hokte hier de jonge knaap die burgemeester zoniet eerste minister zou worden, maar het in werkelijkheid nooit verder heeft gebracht dan vredelievend armoedzaaier. Ach, zoals in het liedje:
twee teelballen zo blauw,
dat zijn die joekels van jou,
twee sm’ragden in de rouw,
tararida darida dada, …
Enzovoorts, en houd uw applaus maar, u heeft het waarschijnlijk meer nodig dan ik.
Iedere ochtend poetste hij zijn tanden met een mengsel van paardenhaar en gevonden gras, - waarom niet, zoiets kan zelfs waar zijn, alles kan. (Er zijn er die beweren dat prins Baard kan vliegen. Van mij kunnen alle koninklijken vliegen, richting Exit.) Maar zo goed heb ik Frans P nu ook weer niet gekend, wel vroeg ik me af waarom hij op café andermans klutsjes uitdronk en waar het gezellig was niet eens binnen mocht. Ja, hij stonk een beetje en hij was rap toeter, en hij deed ook wel eens raar, zeer raar, maar een onmens was hij zeker niet. Politici daarentegen kunnen op de steun van hele busladingen imbecielen rekenen, maar geen verkeerd woord over hun dieverijen en moordpartijen of ge zult hangen derwijze Barbertje, en stakende profijtjagers worden dezer dagen het land doorheen als helden op handen gedragen terwijl ze niet zouden aarzelen om een dakloze een roestig mes in de rug te planten en eender welk wijf te bezwangeren al was het maar voor het kindergeld, - arbeiders, bah. (Werkers daarentegen!) In die dagen behoorde ik nog tot diegenen die de wereld gingen verbeteren, maar zelf niet deugden; thans behoor ik tot diegenen die weten dat de wereld niet voor verbetering vatbaar is, en de rest vult ge zelf maar in. Frans P woonde in een onooglijk stulpje, aan de oever van de belangrijkste rivier van het land, gelukkig voor hem aan de juiste kant van de dijk. Hij kon toveren, werd beweerd, waarom niet? Sprong ik zelf eens over een haag, en imiteerde ik ondertussen het gehinnik van een paard terwijl ik me met een twijg op het achterwerk sloeg, dan was ik daarom toch geen paard met ruiter dat aan steeple chase deed, of zie ik eruit als een die Waregem Koerse al drie maal heeft gewonnen? Misschien wel. In ieder geval, toen ikzelf nog peuter of kleuter was heeft Frans nog een mansarde bovenop ons huizekoteke bewoond, de laatste twee en een halve meter moest hij langs een krakkemikkige ladder, zelfs ratten en muizen ontzagen zich de moeite, die waren ons deel. Een stoel, een zelfgemaakt tafeltje, een ijzeren ledikant. Geen elektriciteit, twee zakken met kapotte kledij, een petroleumvuurtje, en een of twee kookputten, water op het koertje en uit de goot, 1951. Hij hield zich toen in leven met het restaureren van schilderijen en het beschilderen van plaasteren beelden. Daar kan ik me niets meer van herinneren, zei hij in afwachting dat ik hem een verse pint voorschotelde, en zie: plots ging hem een licht op. Ik heb hem ook nog eens ontmoet toen hij afwasser was in de Colmar te Gent en ik figurant in het NTG, ik heb toen een schoteltje frieten voorgeschoteld gekregen van hem: cadeau, voor bij de koffie, zei hij lachend, zout, peper en suiker staan daar, en weg was hij, de baas had al twee keer geroepen. Toen men hem vond was zijn lichaam al in staat van ontbinding, zijn huisbaas had net een wereldreis achter de rug. En dan zoiets, zei hij misprijzend. Kamer te huur.
In de donkergroene ogen van mijn moeder was een brede voordeur het afdoende bewijs van benijdenswaardige welstand, de konijnenkoten van Le Corbusier bevielen haar veel minder en zelfs helemaal niet, - zelf woonde ze tegen alle verwachtingen in op het einde van haar leven in een stapelhok van ongeveer 75 vierkante meter, het kunnen er ook vijftig geweest zijn. Stront schoot dag en nacht in duizelingwekkende vaart in de blauwgeschilderde schacht in haar tweede deur links badhok voorbij, soms nog sissend als in water gevallen vuurwerk, soms als een aanrukkende storm in bergachtig gebied, op weg naar weet ik veel, komende van de tiende en van de zesde of de derde verdieping, van mannen en van vrouwen, van kinderen en van mentaal gehandicapten, van rijke stinkerds en van de eeuwig zieke Bertha uit O die nooit een man heeft kunnen behagen en nu in gezelschap van haar zuster Sylvie eveneens uit O op het einde van haar dagen wacht. Toen we nog Sas 13 bewoonden, en door de overheid nog van haast niets statistieken werden bijgehouden viste Pier de saswachter zeer regelmatig opgezwollen en in staat van ontbinding verkerende drenkelingen uit het water. Onze voordeur was niet echt smal, integendeel, ze was zeer breed (en meer dan hoog genoeg om een reus te ontvangen). Het huis werd echter verkocht terwijl we er in zaten, letterlijk van boven ons hoofd, terwijl het buiten pijpenstelen regende. Ons schriftelijk bod werd zelfs niet in overweging genomen, ook al was er geen hoger en konden we van de andere kandidaat koper zoveel kwaad vertellen dat één gevangenis niet zou hebben volstaan. Minder dan twee weken later deed ik echter mijn eerste communie en op 1 maart van datzelfde jaar lag de sneeuw 4 cm dik, - als dat nog geen bewijs is. Kort na de verkoop wisselden we op een avond van woning met de nieuwe eigenaar die tot dan in nummer elf had gewoond. Een gesjouw over en weer dat tot in de diepste der duisternissen duurde, was me dat een avontuur, ja. Neen, het was het trieste gevolg van een gemene streek, maar ik was al de twintig nabij toen ik dat besefte, het huis nummer elf was twee meter smaller dan nummer dertien, de voordeur ook. Mijn handschrift moest steviger, zei hij tegen mijn moeder en legde zijn hand op haar schouder, hij beweerde immers dat we verre familie waren. Er stonden weliswaar geen fouten in mijn opstel, maar toch, - hijzelf was leraar Duits en heette onder andere de Visscher. Pas op voor mannen met een gouden horloge, valse tanden en rost haar op hun benen, zijn vrouw heeft hem op een dag ingeruild voor een advocaat van twijfelachtig allooi. Roei, mens, roei, desnoods zonder riemen. De dag van mijn communie droeg mijn moeder een blauwe mantel, mijn vader glom als een met glycerine bestreken paling, en ikzelf voelde me schuldig en zondig, en zij van de Tweekerkenstraat hebben daar nog menig schep bovenop gedaan, maar toen werd ik achttien jaar. (Een begrafenisondernemer die een bloemetjeshemd draagt, een blauwe bermuda en teenslokkers uit de Aldi, ik kan het me nauwelijks voorstellen. En toch: het bestaat, - zo wint Tom Boonen zelfs de koersen waaraan hij niet deelneemt.)
Haar enige zoon is het nog slechter vergaan: centrale verwarming in bijna alle plaatsen van het huis dat hij op ongehuwde wijze beschurkt, wekelijkse ophaling aan huis van zijn afval, stromend koud en warm water uit vier of vijf kranen van het merk Grohe, enzovoorts. (Toen mijn moeder stierf bleek het onmogelijk haar abonnement bij Telened op te zeggen zonder kopie van de doodsbrief, maar die was er niet, en bidprentjes? Ook niet mevrouw. Het spijt ons, maar dan kunnen we de dood van uw moeder - zie artikel 127bis - contractueel niet homologeren. Zij baseerde zich, zei ze, onder andere op een schriftelijke overeenkomst met mijn vader wiens dood, maar dat spreekt onderhand vanzelf. Niettemin: innige deelneming. Ik betaal nu iedere maand twintig euro, al zes jaar lang. Veel langer dan 20 jaar zal ik niet meer leven, dan is het de beurt aan mijn nakomelingen, want doodsbrieven zullen er niet zijn.)
Ik herinner me van ongeveer een halve eeuw geleden, ik woog slechts de helft van nu, en in de kleine en de grote turnzaal stonden de plint en de bok zeven hoog geschakeld, mijn aanloop was perfect maar de sprong ging niet door. Als er gevoetbald werd riep ik ook af en toe: hoho, hier, komkom, en achteraf altijd: allez, … hoe is het mogelijk, - met de nadruk op allez, en dan wendde ik me om, kruiste de armen en schudde met het hoofd. Mij legde zoiets steevast windeieren, anderen verwierven er extra punten door. (Stel u voor: in die tijd was de hele speelkoer omzoomd met een muur van wel vier meter hoog en bovenop was gesplinterd glas in een laagje beton aangebracht en prikkeldraad, - daar raakte geen mens levend over, niet in deze en niet in gene richting. En toch had Duitsland de oorlog niet gewonnen.) Als de zon scheen en het einde van het schooljaar naderde werd er in openlucht aan sport gedaan, dat was wel leuk, maar de jaarlijkse bedevaart halverwege de meimaand naar Lebbeke vond ik toch plezanter. Het zieligste moment daarvan was de gehaaste terugkeer, kort na twaalf uur, niet meer zingend en biddend midden de straat, maar in volslagen stilzwijgen in rijen van vier op de voetpaden of op één rij als een lange kronkelende worm in de zachte berm, daar waar huizen ontbraken en we onze ware aard in achtgenomen tussen weilanden vol koeien liepen. De riem lag er dan af, en aan ieder kruispunt sloegen wel enkele jongens linksaf of rechtsaf huiswaarts, dat mocht. We hadden allen onze cola of limonade uit, de heilige maagd – God hebbe haar ziel - was uit volle borst aangeroepen geweest en haar eventuele gunsten waren preventief met een klinkende munt in de zilveren schaal van een kerel uit het laatste jaar bezegeld. Eens de rituelen achter de rug werden de klassen immers verdeeld over de elf plaatselijke drankoorden, en ons werd het ene jaar de Edelweiss en een andere keer het Hof van Eden toegewezen. Zij die nu aan het hoofd van veel staan rookten toen al stiekem gestolen sigaretten, ik behoorde tot diegenen die op de uitkijk stonden en onopvallend spiedden we de omgeving af of er geen leraar of suppoost in het vizier kwam, een hele eer, maar de weg naar de top is een steile helling en bij de minste onraad zouden wij de soep gegeten hebben. Het lerarencorps en de priesters die nu omgekleed waren dronken op uitnodiging van het gemeentebestuur gratis in zaal Casino. (Mijn voeten stonden vol blaren, want met mijn nieuwe kousen waren mijn beste schoenen ineens veel te klein, - wie draagt er nu in volle zomer bleekblauwe door zijn moeder met de hand gebreide kousen?) Freddy had handen waarbij de mijne, toch ook al serieuze pollepels, bij in het niet verzonken, en tegen de regels in dronk hij mazout, en neen, voor ons niet, wij maar doen alsof we al genoeg op hadden, we wisten niet eens wat hij dronk, alleen dat het verboden was, - één cola of één limonade was ons in het hoofd geprent, niets anders of vijfhonderd lijnen tegen morgen. Ook wilde iedereen voor de terugtocht, zeven kilometer, vlug nog eens van het toilet gebruik maken en sommigen moesten echt hoognodig, één pot en een deur die kapot was voor 180 jonge kerels als ik, zelden zo vieze troep gezien, tot wat cafébazen al niet bereid zijn in ruil voor wat grijpstuivers.
Het allermooiste was natuurlijk ’s ochtends om tien voor zeven op de grote koer het vormen der stoet, de zon die nog maar amper boven de gebouwen uitkwam, de geur van ik weet niet hoeveel soorten zeep, het nodeloos over en weer geloop, de zenuwen die parten speelden, de vrees om niet in orde te zijn inzake kledij, afgezakte kousen, schoenen die onvoldoende blonken, het haar dat niet kort genoeg geknipt was, en moesten wij nu onze missaal meebrengen of niet, het college van de heilige maagd, ik moet nog altijd lachen als ik eraan terugdenk, meer dan één bedevaarder heeft toen flinke meppen gekregen, - als den Beer passeerde kon men een pluimpje horen vliegen, twee rijen ver kletste hij nog raak, (hij is gestorven in de gevangenis, maar wel in die van Leuven). De grote groene poort stond wijdopen, en er stonden al wat ouders en verre familie op de uitkijk, niemand wilde de start missen, het was alsof de Ronde van Frankrijk zou voorbijkomen, en Bartali en Coppi voorop lagen, - jonge schriftgeleerden van nu vragen zich af waarom het fascistisch gedachtegoed zo welig tiert in Vlaanderen, hewel, moet er geen zand zijn? Zij van de fanfare bliezen al eens twee, drie noten, roffelden even kort op de trom, plots liep er een van hen snel naar het klein poortje, verdween en kwam al spoedig hevig knikkend terug. Tien na zeven. Uit de grote studiezaal met de dubbele getraliede glazen deur kwamen Rik en Fik, een tweeling oorspronkelijk uit Snaaskerke, maar geadopteerd door een schimmig koppel uit de Rivierenstraat, zij droegen de vlag en een echt streepjeskostuum. De hele weg wisselden zij elkaar af bij het dragen, ze hadden dan ook witte handschoenen aan en stapten net voor de fanfare, de muzikanten zelf droegen een pet. Dan volgden twee rijen oud-leraars en de voorzitster van het Rode Kruis in uniform, ook de voorzitter van het Davidsfonds was van de partij, maar ik weet niet meer van dewelke, als oud-leerling was hij in burger. Maar nog voor iedereen en alleman uit stapten twee rijkswachters met sabel, ik heb nooit geweten waarom, voor outer en heerd waarschijnlijk. Kwart na zeven. Op oorverdovende wijze begonnen de klokken te luiden, de leraars briesten tegenstrijdige bevelen, vooruit, wachten, links, rechts, links, rechts, de fanfare zette twee verschillende marsen tegelijk in, de twee rijkswachters stapten ieder in een andere richting de poort uit, de omstanders klapten onafgebroken in de handen, voor de honderdvierentwintigste keer trok de hele school vanaf het vierde studiejaar ter bedevaart, en kijk daar, Alex de fotograaf. De leraren van de afdeling Handel hielden er gelijk de maat in, vaak waren het boerenzonen, die ieder jaar voor twintig leerlingen extra tekenden en daar een commissie voor opstreken. Zij liepen naast de eigenlijke stoet, hadden een blauwgele sjerp om, de kleuren van Maria, en hielden elk ongeveer honderd bedevaarders in de gaten, er viel al eens een mep, er werd al eens gedreigd met straf, maar veel meer konden ze niet doen in aanschouw van zoveel kijkers, doch aan het gebed zelve namen zij geen deel, zij deden daarom de bedevaart later nog eens over naar het schijnt. Het tempo lag hoog, de fanfaristen speelden als gek, de twee rijkswachters konden elkaar niet uitstaan, en er werd gebeden dat de stukken er van af vlogen, we waren met meer dan duizend. De priesters waren gekostumeerd, naast hen liepen misdienaars die elkaar aflosten met de wierookvaten, en meer dan nodig was in hun neus peuterden. Aan de vensters van de huizen die we passeerden stonden kaarsen te branden, en op een snotschone zakdoek prijkte Maria, vaak in gezelschap van enkele mindere goden zoals Jozef of Donatello. Gepensioneerden ontblootten het hoofd, sommigen knielden, in cafés werd de muziek stilgezet, fruithandelaars stopten met verkopen, de beenhouwer sloeg zich een kruis met zijn mes, 1955, en op slag zongen we nog harder en begonnen haast als vanzelf te bidden met dubbele tong, dit wil zeggen Onze Vaders en Weesgegroeten door mekaar, er waren er uit wier mond stoom kwam, anderen hielden de felle zon voor een teken uit de hemel, paternosters die niet gewijd waren vlogen vanzelf in brand, de jonge boerenkinkel voor mij stonk dat het geen naam had. Ik ken een jongen die naar aanleiding van dat alles enkele jaren een roeping heeft gevoeld, toen dat weg was hebben ze na een zwaar ongeluk zijn linkerbeen afgezet. Veel mensen onderschatten God en de zijnen, - ach ja. Er zouden, zo wordt tenminste beweerd, ook twee of drie keer mirakels hebben plaatsgevonden, maar daar heb ik nooit wat van in de kranten gelezen, ik lees geen kranten, trouwens: een mirakel wat is dat?
Neen, terugblikkende bij gebrek aan vooruitzichten, zeg ik in eer en geweten: die zomerse turnlessen waren wel leuk, maar de jaarlijkse bedevaart dat was toch nog andere koek. Als ik nu nog spring is het zonder aanloop te nemen en zeker niet in de hoogte, en als ik desondanks hard loop is het omdat ik word achterna gezeten, altijd door dezelfden.
Jean-Louis S woont al elf jaar in de Termietenstraat, nummer 9. Hij is ongehuwd, woont zelfstandig zoals dat tegenwoordig heet en heeft een rare hobby. Hij heeft geen hond, maar eet wel vlees, het liefst van al paté of préparé. Beide woorden leerde hij pas sinds kort uit te spreken zonder kakenrood, vroeger bestelde hij honderd grammen van dit en honderd grammen van dat, en twee van de die daar. Vroeger, dat was in de tijd dat alles nog rechtstreeks in franken geprijsd stond en een postzegel een postzegel was. Nu moet alles omgerekend worden door wie van hier is, en wie niet van hier is hoort hier niet, zo zegt Diederik tenminste, - en ik ook niet, voeg ik daar preventief maar graag aan toe. Jean-Louis is daar ook redelijk punctueel in, hij heeft altijd een mes op zak, soms vergeet hij het thuis, maar dat is niet erg, niemand weet het. Ik geef een voorbeeld: een droog worstje kost nu 1 euro en vroeger kostte dat 20 frank, dat klopt dus niet. En al van oudsher kost een mooi huis 300.000 frank, nu evenveel, maar in euro’s. Dan draait Jean-Louis het mes in zijn zak om en om, en bijt hij op zijn tanden, maar ook dan durft hij niets te zeggen. Valt andere mensen dat niet op, vraagt hij zich dan af. Ik tik hem op de schouder en zeg: de masochisten links, de sadisten rechts, en de kerk in het midden. Waarop hij dan weer: jaja. (En dan is een mens uitgepraat natuurlijk.)
Hij volgt iedere dag op tv twee verschillende nieuwsuitzendingen, van begin tot einde, en vaak, als hij niet kan slapen bijvoorbeeld, ook een aantal heruitzendingen. Veel verstaat hij er wel niet van, maar hij spreekt daar met niemand over, wat zou hij, zijn moeder stierf twintig jaar geleden en van zijn vader herinnert hij zich het bestaan niet eens. Hij rijdt zelf geen auto, maar verplaatst zich graag en veel met het openbaar vervoer, maar waarom eigenlijk? Driemaal per week gaat hij ergens heen, loopt daar uren rond, en keert dan terug, moe, maar tevree. Ja, in Vlaanderen heeft de Heer zijn getal probleemloos gehaald, maar nu is er weer een geval van massamoord. (Loksbergen, - zelf heb ik nog op Heidebergen gewoond, dat gelijkt er een beetje op, maar het was wel in Latem, alhoewel.)
Het begon in 1986. Een nieuwe winkel opent zijn deuren waar vroeger Albert superbazaar hield. Evengoed hadden ze de oude winkel kunnen afbreken zoveel kosten werden eraan gedaan, van het mooie lusthoveken aan de overkant van de straat hebben ze zelfs een geasfalteerde parking gemaakt, en men is nu verplicht ook zijn fiets daar te zetten, niet gemakkelijk en zeker niet handig, maar als ge het niet doet bellen ze de politie. De voordeur gaat vanzelf open, - dat moet ge zien, riep Rachel, toen ze het zelf voor de eerste keer zag. Ze kon niet stil praten, had nog maar weinig meegemaakt en al helemaal niets te vertellen. Ja, zei Alfons, haar broer, dat is waar, en hij vulde de koffer van zijn blauwe Renault Pipo die op naam van zijn moeder stond met van alles dat ze vroeger niet kochten en zelfs het bestaan niet van afwisten: een strijkplank met ingebouwd droogrek, een pak spaghetti met een zilverpapieren zakje tomatensaus en geraspte kaas uit de bergen inclusief twee gratis recepten. (Zo: water aan de kook brengen, spaghetti ingooien, zakjes saus en kaas van hetzelfde laken. Wacht zes minuten en de spaghetti is klaar, de saus warm en de kaas gesmolten, nog twee minuten en alles is op. Een koe melken duurt langer.) Maar zo gaat dat, in de nieuwe winkel was alles voorzien op huishoudens van vier mensen, ook de bloemkolen. Die winkelier gaat het nog ver schoppen, crisis of niet. Boefen tot ge ontplofte moest ge voortaan in dat dorp, en dan was wat overbleef nog teveel voor de kippen, de eieren smaakten ernaar. Naargelang wat er in promotie was veranderden de kiekens in het dorp zelfs van kleur: gehaktballen in tomatensaus en alle kiekens liepen er bij met een rode kop, spinazie en ze lachten groen, spruiten en wat overbleef van de beestjes waren de pluimen, en toen de eerste kleurentelevisies opgang maakten stierven er meer konijnen aan de gevreesde oogziekte myxomatose dan van ouderdom. Maar om nu te beweren dat Rachel achterlijk was, neen, - ik citeer haar even letterlijk: als we koken moeten we altijd een venster openzetten, anders hebben we geen lucht meer en kunnen we ook niet meer naar buiten kijken, want de ruiten beslagen dan helemaal.
Huis aan huis had de nieuwe winkelier eigenhandig reclame bedeeld, en de dag der opening was er zoveel gratis geweest voor iedereen dat het in geen twee tassen te dragen viel. Er zat ook een kam bij die opplooibaar was, en het steeltje bleek bij nader inzien een stylo te zijn, of wat te denken van de postkaart waar geluid uitkwam! (Daar is zelfs nog miserie van gekomen, toen bij het overlijden van Maria Deps Alfons zijn medeleven had betuigd op zo’n kaart. Achteraan de kerk, bij het binnenkomen, want bij de tjeeven is het allemaal langs achter te doen, gooit hij zijn kaart in het voorziene mandje, en lap: de vogeltjesdans. Hij neemt de kaart terug, schud er eens goed mee, gooit ze weer in het mandje: Tsjip tsjip tsjip. Drie keer tereke hetzelfde lolletje, boze blikken à volonté. Hij trekt er het mechaniekske uit, maar dat valt uit zijn poten en rolt ergens waar geen mens er nog bij kan. Het was al na middernacht als in de Sint Leonarduskerk de laatste keer de vogeltjesdans weerklonk.) Nieuwe zeden, nieuwe woorden: grandioos, fantastisch, uniek, abracadabra al deze folderwoorden zorgden voor onverwacht vertier. Tien jaar geleden was dit dorp een door God verlaten incestueus nest, nu woonde er een dokter die zijn handen niet thuis kon houden.
De eerste aanbiedingen op gedrukt papier van de nieuwe winkel waren adembenemend, en iedereen kocht alles. Zo ook de tweede, de derde en de vierde week, toen begon het te minderen, maar niet bij Jean-Louis, integendeel. Mijn moeder is dood, mijn vader evenmin, sprak hij tot zichzelf, en alras bracht hij een groot deel van zijn dagen door met het aansjouwen van aanbiedingen. Dit was de winkelier niet ontgaan en omdat in dit land zelfs een simpele klant koning is (en de eerste de beste dwazekloot minister van om het even wat) ontving Jean-Louis meer en andere reclame dan zijn dorpsgenoten. Hij had al vier stofzuigers, maar geen zakken, een waterverzachtingsinstallatie, negen haardrogers, mixers in alle kleuren van de regenboog, maar evenzeer 200 pakken volkoren beschuiten, anderhalve kubieke meter toiletpapier en duizend pampers, kortom, heel zijn hangaar stond volgestapeld met de meest uiteenlopende waar. In de winkel werd hij begroet als mijnheer Jean-Louis, de rest van het dorp bekeek hem met de nek, maar ja.
Jean-Louis S is nu 63 jaar, in het beste geval nog twintig te gaan, wat valt er dus nog meer te vertellen over hem? Zwijg dan, zegt u. Doe ik.
Iedere dag zeer vroeg in de ochtend nog voor ik ontwaak steek ik het hoofd al door het raam en spied ik de hele omgeving af: neen, weer geen vredesboodschappers of opstandelingen te bespeuren vandaag, hoogbejaarde kravattendragers die de gekoekte sneeuw van andermans stoep schrapen, dat wel, stokoude mannen die ervan houden om door hun vrouw beschimpt te worden, liefst in het openbaar, en in het kerkske alwaar zijne majesteit baron Ensor begraven ligt, in de zomer op blote knieën hun gepekelde zonden afkopen, en in de winter gunsten vragen voor moordenaars en woekeraars, zeggende van de pasters dat het niet waar is. Hoe kan dat nu, denk ik dan bij mezelf, en blauw van de kou trek ik me terug. Lezen die mensen dan geen kranten of kijken ze geen tv, kan een internetaansluiting er niet af of geloven ze slechts wat niet waar is en is horen en zien van geen tel. Zelf ben ik geen haar beter, want vandaag viel er weer een vraag in de bus van een vermaarde professor op rust om onbezoldigde karwei te komen beoefenen, en ik weet nu al: de gereedschapskoffer in de hand en het blauwe kieltje onder de arm zal ik me zo nederig als mogelijk is aanbieden op het uur dat door hem zal worden vastgesteld, zelf heb ik geen agenda, wat zou ik ermee. Ik vrees wel de dag dat spoediger als verwacht de oorlog zal uitbreken, want mij zal verweten worden waar hij zich aan bezondigt. En zie, reeds schijnt de zon. Nu nog grootofficier worden in de orde van Leopold II, u weet wel, de afgehakte handjes, en Europees voorzitter worden van het comité der regios’s, de pap gaan roeren in de VRT, het leven van velen te verpesten door te zijn wie hij is, - iedereen vond hem belachelijk toen hij zichzelf minister-president liet noemen, maar vandaag is er niet één die protesteert als hij weer. Enzovoorts.
Op uitzondering van een veel te korte periode bergbewonen is mijn hele leven er al een geweest van schulden en beven, - Brusselmans, die ook maar van Hamme is, zou daar beffen van maken, ik niet. Ik ben dan ook niet zo geliefd, niet bij de mensen en niet bij de vrouwen, doch ik neem daar met graagte nota van en meedogenloos vrede mee. Vruchteloos tracht ik de namen van de zeventien deurwaarders die me hand in hand als kameraden bestalen te vergeten, en dat ik op een dag door de dieren die in mijn naam werden geslacht of minstens door mezelf werden mishandeld zoniet opgegeten op het matje zal worden geroepen, ik twijfel er geen seconde aan. Zij die vlezige stoofpotjes garen, en van kuieren in dierengevangenissen een van hun Engelsachtig bedoelde bezigheden hebben gemaakt, met gouden pen over de prularia van het leven schrijven en garant staan voor veel te veel vleesgeworden onbenulligheid en boosaardigheid, doch in Antwerpen wonen, hoe vaak zijn ze niet van Hollandse komaf, ja, van laag allooi, - iets anders bedoel ik niet, iemand anders dan Bert B evenmin. Ik beschouw iedere vleeseter als een barbaar, al wie van opgesloten dieren houdt en van bomen enkel de zelfgenomen foto’s koestert als een domoor, en wie zichzelf schrijver, denker of kunstminnaar waant als niets anders dan ground zero, mezelf houd ik voor de ongewenste combinatie van al wat niet deugt. Wanneer de Nobelprijs van de vrede aan de op geen na grootste oorlogsmisdadiger van zijn tijd wordt toegekend, dan heeft het niet langer zin om in Humo en elders de zelfgeschreven brieven van die andere Wuit te lezen, want nooit zullen de spelregels van schaken deze van tennissen worden. Mocht Albert Camus nog leven, hij zou al zeer oud zijn.
(Zolang politici, kunstenaars, schrijvers, denkers, ambtenaren, vuile Mie en vieze Jef meer wind maken dan de molens kunnen vangen, zolang.)
Ik draag geen hemden met korte mouwen, niet in de zomer en niet in de winter, ik rol mijn mouwen op, niet zo dat mijn aders er door afgespannen raken, maar zoals het hoort, vakkundig als het ware, en denk nu niet als het regent dat ik diegene ben die daar komt afgestapt met de roze of zwarte paraplu, liever nog verzuip ik dan te pompen. En een hoed, - is het dan alweer karnaval, ja? Heet dat godvergeten oord hier Binche, Aalst of Keulen misschien? Eén keer al in mijn leven liet ik mij witte kousen aansmeren omdat er per voordeelpak van vijf telkens zo’n paar tussen zat, (vijf euro heb ik daarvoor betaald, ik vond dat niet veel, maar nu weet ik beter). Drie weken lang heb ik toen geweigerd de nagels van mijn tenen te knippen, dan heb ik mijn voeten anderhalf uur laten weken in lauw water met een soeplepel maagzout en een koffielepel Franse bloemenhoning in, en zie ik stap terug zonder problemen vijf, desnoods tien kilometer als irgendwo de bruingevooisde spruiten of dwergajuinen in promotie zijn, ook al ritst dan steevast een hoogbejaard en overdreven geschminkt meetje het laatste zakje voor mijn neus weg, en kan ikzelf fluiten derwijze Roger Withaker veertig jaar geleden. Of zoals gisteren, het regende niet, het sneeuwde niet, ik met bus 60 naar de Aldi, en als ik na veel schudden en beven, want deze lijn wordt vaak gebruikt door asielzoekers, ter plaatse arriveer blijkt de winkel gesloten, de hele santenboetiek veranderd in een parfumerie terwijl ikzelf door vriend en vijand voor een stinker wordt gehouden. Maar omdat ik er een handje van weg heb om gratis te busreizen werd het uiteindelijk toch nog een nuloperatie. (Ik zag zelfs vijf cent liggen op de instaptree van de bus, maar toen ik er daarlangs even terug af wilde om het muntje in mijn helle te slepen mocht dat niet van de chauffeur, terwijl ik gisteren nog met eigen ogen zag hoe hij een berooide Ghanees die nog niet helemaal binnen was onmiddellijk verplichtte langs daar terug af te stappen, - en dan verschieten ze ervan als een of ander heethoofd hen al eens ongevraagd een schaal muilperen aanbiedt.)
Behalve aan de hand van de twee of drie bezilverde nieuwjaarsbrieven van een frank het stuk die ik hem heb voorgelezen, denk ik niet ooit het woord tot mijn grootvader te hebben gericht, en van enig gesprek met hem kan ik me al evenmin wat herinneren, niemand trouwens. Hij was iemand die met fierheid een zeer eigenzinnige variant van gedrag vertoonde, en dat tot in de kleinste details verzorgde, ook al leek hij eerder een dakloze dan een wijsgeer. Als een grimmige, zeer ontevreden in alles mislukt heerschap, zo leeft hij verder in mijn gedachtenis, en herken ik daar ook niet de betere eigenschappen van mezelf in? Ieder jaar kocht mijn moeder hem nieuwe pantoffels, die hij rapper dan vliegen steken kunnen weggooide, we hadden onze borrel nog niet eens op, maar evengoed lag op de schouw mijn platgestreken in acht geplooide briefje van honderd frank klaar. Ieder jaar waren zijn pantoffels wat meer versleten, en toen ik hem de laatste keer zag was er van pantoffels al helemaal geen sprake meer, maar toen lag hij wel in bed en was hij al enkele uren dood. Dat komt ervan.
1926, ik was nog niet eens geboren, zelfs nog niet in verwachting. Dat jaar was februari de kortste maand, en tegen alle verwachtingen had de dooi flink ingezet, twee maanden aaneen had er een halve meter sneeuw gelegen en nu regende het al zes dagen zonder ophouden. Mijn grootvader had naar jaarlijkse gewoonte afspraak in de stad, in café De Hert tevens zetel der plaatselijke filatelistenclub, maar die bestond toen nog niet, leuk bovenzaaltje alwaar om 10 uur bomen en enige restanten graan, stro en haver zouden verkocht worden. Mijn grootvader was een ronduit gewaardeerd wielmaker, een echte ambachtsman die zoals ik niet van machines hield, en ook niet van werken. Weer of geen weer, in zijn beste pak was hij erheen getogen, z’n mooie hemd met de gouden manchetknopen, een soort fladderstrik en bruinlederen schoenen maat 43, kousen droeg hij niet wat op hetzelfde neerkwam. De notaris, de veilingmeester of de deurwaarder, of hij die misschien geen van allen was of de drie ambten combineerde, tikte met een lepeltje tegen een glas, klokte de as van zijn sigaar, en sprak luid en duidelijk de vergadering toe. Als wielmaker kwam het erop aan de drie, vier beste bomen binnen te rijven, de prijs was van minder belang, die bepaalde hooguit wat de stinkrijke boer voor zijn nieuw karrenwiel zou betalen, winst en kwaliteit zijn elkanders vijand. Enfin, nog voor onze lieve heer waarvan ik u uit eigenbelang de naam verzwijg de hele streek in eeuwigdurende donkernis hulde, stonden de houtkopers en de graanschuivers al van Tjoelala en Wizewis bom bom op de toog te kloppen en de vloer te stampen, eentje liep er al rond met de broek op de knoesels, en neen, dat was niet mijn grootvader. Ach, 1926.
Het regende nog steeds heel hard toen geen mens zijn ogen kon geloven, en in de wrede verte mijn grootvader, die tevens de vader van mijn vader was, rond vier uur verdronken in z’n enigste en beste pak met zijn regenscherm als nieuw onder de arm door het veld van Pascal huiswaarts kwam geploeterd, - mensen, wat zag hij er uit. Omdat de voorkant van zijn huisje zich aan de achterkant bevond, want wie had er toen al van een architect gehoord, beplaste hij eerst met veel inwendig en naar liefde neigend plezier de schaarse groenten die de winter hadden overleefd, hij leek wel vrolijk. Dan begon hij vruchteloos zijn sleutel te zoeken, en kort daarop met tot mislukken gedoemde inbraakpogingen. Hij kreeg de deur maar niet open gestampt, en het raam uitslaan zou onherroepelijke schade berokkenen. Moeder de vrouw was zoals iedere werkdag op pad met twee korven gestolen appels en peren in de hoop haar steentje bij te dragen of minstens haar slag te kunnen slaan. (U zegt? … Neen, wij zijn geen Roma, echt niet, gij misschien wel?) Toen. Sprekend tot zichzelf werd mijn grootvader, een ambachtsman zoals ik al zei, overvallen door het naar hem voorkwam schitterende idee de balk boven de deur met die hamer daar een lichte opwaartse tik te geven, want alleen zo zou volgens hem de deur uit het slot springen. Nu wilde het toeval dat juist die balk het hele dak schraagde en het noodlot dat de tik iets te hard moet zijn aangekomen, want met veel gedruis schoot de balk gewoon van onder het dak vandaan, in zijn zog de deur, de onderste twee rijen dakpannen, de linkerhelft van de keukenmuur inclusief het aanrecht, en een kat die haarzelf, maar niet haar jongen in veiligheid bracht. Daar stond mijn grootvader met de voeten geschoord in wijlen de deuropening en met wat er van het dak restte op zijn schouders. Om hulp roepen had geen zin, nuchter was hij al en om vijf uur zou mijn grootmoeder thuiskomen, tot zolang moest hij proberen de Atlas uit te hangen, maar onder zo’n zware last kromp hij iedere minuut wel een volle centimeter. Toen mijn grootmoeder driekwartier later thuis kwam, schoot van mijn grootvader niet veel meer over. Van de voorouderlijke woning evenmin. (Van onze erfenis niets meer.)
Wat de weerman al niet beloofde. Goed weer. Slecht weer. Regen. Uitzonderlijke droogte. Smeltende sneeuw. Overdreven zonneschijn. Dichte mist. Dat hij om zes uur thuis zou zijn.
Toen we aan de herstelwerkzaamheden begonnen, waren we nog niet achter de ware oorzaak van de problemen gekomen. We zaten nog wat na te lachen met ma Verhulst die haar kind had weggegooid en sindsdien de nageboorte koesterde. Toen ze een week later de deur open stak en met de klink in haar hand stond, maar niet binnenkon omdat haar groeihormonen de breedte voor hoogte hadden aangezien, dachten we dat ze teveel naar FC De Kampioenen had gekeken, want beweerde ze niet dat haar Dimitri kon schrijven? Nu nog leren spreken, riep mijn vader terug. Ik meende ook nog iets te roepen, maar er schoot me niks te binnen, behalve van commotie een halve aardappel langs het verkeerde gat. DV, gvd. dezelfde initialen als scribent non-talent Dirk Vekemans die me vorig jaar tegen beter weten in eens anderhalf uur heeft laten staan schilderen en beeldhouwen aan de kiosk op het Wapenplein terwijl hijzelf waarschijnlijk langs achteren ballonnen met gas vulde. Een verklaring of excuus achteraf behoorde tot de onmogelijkheden, en in Leuven en in Heule achter de potkachel lauwerden ze zichzelf: we hebben hem weer eens goed liggen gehad. Toch heeft de man al drie of vier tekeningen gemaakt waarvan ik denk, maar niet zeg: chapeau, schrijven lukt minder goed, maar dat kan de andere DV evenmin, - voor de plaatselijke kolonie van ontwortelde waaibomen volstaat dat ruimschoots, neen, is dat reeds teveel.
Het huis was nog niet volledig af, en uit de schouw gutste bij de minste regenval onophoudelijk zwart water de eetkamer in of de kachel nu brandde of niet en het licht aan was of uit. Simpel, omdat de metselaar niet tijdig betaald was geweest had hij vanaf een hoog het plan expres ondersteboven gehouden en was de schouw sindsdien vanboven breder dan vanonder, en onze theorie was dat zoiets niet anders dan als een trechter kon werken. Die hele eerste winter zaten we onder de rook en zonder vuur, nu zou dat niet meer mogen maar toen kon alles. Mijn vader die van nature al niet goed was in rekenen, heeft nog eens uitgerekend of er geen instortingsgevaar was. Neen, zei hij, en tevreden haalde hij zich in de kelder nog een biertje, maar daar was mijn moeder niet van gediend. Wilt gij het eens terug gaan zetten, vroeg hij aan mij, en dan wist ik dat ik moest doen alsof, mijn moeder stond toch af te wassen in de keuken en als alles al twee keer afgedroogd was begon ze tot een stuk in de nacht de pannen en potten van inox te simoniseren. (De goede oude tijd. Toen ze alzo haar hemel had verdiend, ging haar hele godsdienst op de fles. Nu dat ze al jaren dood is benoemen ze een nieuwe aartsbisschop.) Soit, we zouden een betonnen dalletje bovenop de schouw leggen met in het midden een rond konisch gat, van pakweg zó groot. Vijf centimeter dik, enkele staafjes betonijzer erin, een meter veertig lang en ongeveer tachtig centimeter breed. Ik mocht het papier vasthouden waarop de maten stonden. We besloten de deksteen op de koer te prefabriceren en dan naar boven te sjouwen, dat zou ons terplekke veel werk uitsparen. Van appelbakkenhout had mijn vader die wist wat werken was, maar nog nooit van Marx had gehoord en dacht dat ik Merckx bedoelde, een verloren bekisting gemaakt. Twee scheppen zavel, een schep rijnzand en een schep cement, enzovoorts tot we genoeg hadden, en alles net nat genoeg om gemakkelijk open te strijken. Mijn vader stak nog een sigaretje op, en terwijl de vers gegoten steen langzaam begon te drogen schreef hij met een stokje zijn en mijn naam plus de datum in de specie. Nu pas zag hij dat hij bij gebrek aan voldoende licht een of andere potloodstreep verkeerd geïnterpreteerd had, zodat onze deksteen veel te dik was, en ik schat bij de honderd kilogram woog. Krijg dat maar eens boven op een schouw gelegd die dreigt in te storten en werkt als een trechter. Jedoch, jedoch! Onverwachts bood Ome Zjef Werrel zichzelf aan als helper, neen, als chef de travaux. Ge moet mij daar niks voor geven, zei hij, alsof wij dat zinnens waren, maar toen hij aanstalten maakte om te vertrekken, werd vlug nog een half pintje van gisteren opgediend. (Mijn moeder kon uit twee flesjes drie glazen vullen, mijn vader had drie flesjes nodig om één glas vol te krijgen, Ome Zjef Werrel kwam nog niet toe met een complete bak.) Mannen, sprak onze chef, ik ga dat alleen doen, ik bind die steen vast op mijn rug, en als de ladder steil genoeg staat raak ik wel door het gat dat hemel van aarde scheidt. (Las die man stiekem de bijbel? De koran leek me uitgesloten.) Zodoende: gelijkvloers, eerste verdieping, tweede verdieping, de groene mansardekamer, even uitblazen, de ladder, het fameuze gat, de zolder, de catastrofe. In die volgorde, en het heeft toen geen haar gescheeld of het complete traject werd door man en steen sneller dan het licht in omgekeerde volgorde afgelegd, want op de zesde sport van de zelfgemaakte ladder, dat waren we vergeten te zeggen, mocht hij niet in het midden trappen, zodat hij nu helaas door alle vorige sporten zakte met de aan zijn lijf vastgesjorde steen niet meer achter, maar voor hem. Miljaar, mijn vader en ik die onderaan de ladder stonden te kijken, hebben nog moeten springen voor ons leven. Maar zwijg, het ergste moet nog komen. In de late namiddag hadden we de steen eindelijk tot in de dakgoot gekregen, en een goeie meter hoger dan ons stak de schouw ongeveer vijfenzeventig centimeter boven de pannen uit, een zachte zuidenwind streelde onze haren, hadden we nu maar een ukelele bij de hand. In de verte zagen we Peetje Patat zijn tuintje bewerken, maar hij zag ons niet, roepen had geen zin, hij was doof. Beneden ons passeerde Remi met zijn Panhard, en zoals steeds floot hij van Loesje, het meisje van de drummer van de band als ware hijzelf een Rambler. Uit veiligheidsoverwegingen had mijn vader mij vastgebonden aan de draden die de antenne rechthielden, en hijzelf en ome Zjef Werrel waren ook aan elkaar gebonden en stonden elk aan een kant van de schouw, het touw erover heen, zodat de diepte tevergeefs wenkte. Ome Zjef Werrel: hij stond er op dat zijn naam steeds voluit en met blijken van respect werd uitgesproken, ook al heette hij in werkelijkheid Adriaan, en was hij niet eens familie van ons. We gaan d’r hem opgooien, sprak hij plechtig tot mijn vader, alleen nog het maken van een kruisteken ontbrak eraan. Nu of nooit, maar die keuze liet hij ons niet. Ik pak de leiding, gij de verantwoordelijkheid. We nemen de steen zo, vervolgde hij, en ik kan het weten want ik stond erbij, elk aan een kant, zei hij, en dan zo. Hij toonde wat hij bedoelde, waarbij hij zich plots bukte en mijn vader, die minder dan de helft woog, werd met een snok ei zo na in de verkeerde richting gekatapulteerd. Hebt ge dat gezien? vroeg hij mijn vader die er nu uitzag als de bange blanke man van Willem Schoelie. Kwart na vijf, acht pinten later, de wind was gevallen, ikzelf hield mijn adem in en telde tot vierentwintig, het uur der waarheid: ome etc. vergat een, twee, drie te roepen, mijn vader voelde zijn broek scheuren en pakte naast de steen, ik die mijn eerste communie toen al achter de rug had voelde mijn benen nat worden, elf meter lager lag de steen al in zijn zelf gedolven graf. (Al een geluk dat er niemand aan de steen was vastgemaakt.) Dedju, dedju, het was al wat ik hoorde. Dedju, dedju. Toen ik mij bukte om te kijken, kon mijn vader nog net bijtijds de antenne vastgrijpen.
Ome Zjef Werrel is op zijn achtenzestigste nog hertrouwd met een vrouw die zestien jaar ouder was dan hij, maar een eigen huis had. Op 7 september van het jaar 1958 vroeg hij of ik al een lief had? Naar waarheid antwoordde ik hem: neen.
Ik behoor tot het uitstervend soort van mensen dat het welzijn van anderen boven dat van zichzelf verkiest. Als ik bij Blokker een werkloze van 28 jaar zie buitenlopen met in de mondhoek een gedoofde sigaret en op het hoofd een verpakte frituurketel van het merk Philips omdat hij weet dat hij zo door de mazen van het alarm glipt, dan keer ik me om, klap ik in de handen en bijna hardop zeg ik tot de niets vermoedende winkelbediende: bravo. Maar ik had wel het wijf op de schenen kunnen schoppen dat aan kassa twee van de plaatselijke Unic in 1994 de kassierster tipte over de zak hondenvoer onderaan het winkelwagentje weggestopt onder een jas van de vrouw die bij gebrek eraan geen eindjes kon aaneenknopen, maar er een mismaakte Mitsy op na hield om de kinderen te plezieren. De verraadster zelf legde even later in de Mageleinstraat in het duurste salon van de stad haar kunstgebit aan de kant om koffie met teveel suiker te slurpen en het gebakje (pas op, de deur niet openen of het vliegt weg) te misprijzen. Zelf ben ik tevreden met een beetje warmte, een dak dat niet al te zeer lekt en voldoende licht om te kunnen lezen maar niet te begrijpen wat er staat, vlees kan ik missen maar niet omdat het te duur is, doch omdat ik in dit beginstadium der beschaving dier boven mens verkies, en om op reis gaan sluit ik mijn ogen, zalig. Ik weet wel dat het niet dit soort van overbodige verstervingen of zoete oprispingen is dat de heren staatsschrijvers en de stokhouten ballerina’s bedoelen wanneer ze lullen en lallen over de solidariteit die zogezegd het land moet beschermen tegen het fascisme van de bruinbescheten Vlaamsgezinden, terwijl zijzelf niet anders doen dan alle bewoners tegen elkaar opzetten, maar ja, wat weet ik niet? Gisteren las ik over Gwij Mandelinck, die niet echt zo heet natuurlijk, hoe hij zich artistiek adviseur waant, maar ik zag ook hoe hij in werkelijkheid met een voddenhoed op zijn (puntje puntje puntje) kop door de straten van Brugge paradeert, en van het Gezellemuseum aan de Rolleweg de deur opensteekt alsof hij zelf. A bas la calotte! En nogmaals, maar veel harder deze keer: à bas la calotte!
De schaarse keren dat ik me de voorbije dagen buitenshuis begaf werd ik meer dan eens gepasseerd door nu eens een heer, dan weer een knaap of een oudere dame de een met een hoed op, de ander met een voorhistorische bij voorkeur grijs gespikkelde pet à la wijlen Wannes, zeg maar Wim van de Velde de zijne. (Maar niet iedere bleekscheet is een artiest, doch in Vlaanderen waant elke schilder zich wel een primitief.) Soms nam ik zelf het initiatief, en zo stak ik gisterenmorgen zonder omzien een verkeersvrije straat over en stapte ik al doende, maar zonder van wat dan ook te gebaren een kerel van minstens tien jaar jonger dan ik met een gebreide muts op het hoofd zomaar voorbij. Ik nam stappen van welhaast een meter en daar waar fietsen op een hoop lagen en draaideuren koortsig overtollige warmte naar buiten werkten sneed ik hem juist op tijd de pas af, maar voor ik het besefte liep ik in de GB met een mandje reclame te maken voor Coca Cola Light, doch ik had niets nodig, wat nu? Ik had me weer eens laten meeslepen door mijn eigen onbenulligheid, en zag problemen waar anderen al lang de oplossing hadden gevonden: tegen koude, kleed u warm. Maar gvd.: liever dan mijn stoppen sla ik zelf door. (Excuseer, maar dat van die Vlaamse schilders had u toch door? De Vlaamse Primitieven! Haha. Nogmaals mijn excuses.) Ik ben geboren zonder helm, wel blootshoofds zal ik doodgaan en eerder vroeg dan laat, niet anders.
We oogstten triomf na triomf, waren echte wielerhelden en om alles voor het nageslacht te bewaren scheurden we de middelste bladen uit onze schoolschriften, want schrijfpapier was toen nog zeldzaam, en iedere avond werd het verslag door het raam gegooid, zoals in Amerika bij wijze van bijverdienste scholieren met de krant doen. Voor het idee tekende Herman, een schrale en ondervoede dwerg met het lijf van Stijn Streuvels op schaal een tiende en de kop van Cyriel Buysse op ware grootte, doch met binnenin niet meer dan het muizenisachtig gedachtegoed van Kristien Hemmerechts. En ach, zijn ouders, wel, wel: als zijn moeder op de schouders van zijn vader stond moest ze nog met een verrekijker omhoog kijken om te zien wat mijn vader zei, - het mens was doofstom, maar kon liplezen en niets anders. (Vlak achter onze tuintjes bevond zich het stedelijke open stort, als de wind goed zat werd het in brand gestoken en zo’n vuur wakkerde dagenlang door, ook ’s nachts, en viel niet te blussen als de wind keerde. Daar vond een vriend van ons eens een doos speelgoed die nu duizend euro waard zou zijn.) Herman en ik waren elf jaar oud, het was midden in de zomer, broeierig heet en alle dagen regende het, maar niet hier. In de moestuintjes groeiden de bonen, de zurkel en de sla als zot en het onkruid deed voor niemand onder, - alles is eetbaar, zei Peetje, en hij stak een verroeste spijker in zijn mond, de schellen vielen van onze ogen toen hij er nog een nam, we sloegen op de vlucht toen hij ons dwong mee te eten. Ook was de Ronde van Frankrijk halverwege of daaromtrent. We woonden in een doodlopende straat, sommigen noemden het een steeg, zij bekleden nu op onnavolgbare wijze leidinggevende functies bij overheidsinstellingen. Herman eindigde in een psychiatrische instelling, ikzelf schrijf gedichten, maar ben ervan overtuigd dat de hele wereld een zottenkot is. Soit.
Herman en ik imiteerden dus de Ronde van Frankrijk, door iedere dag om ongeveer half zes vanaf onze voordeur tot aan de hoek te lopen, daar driemaal op de muur te tikken, en dan terug, en naargelang het om een bergrit of een gewone vlakke rit ging legden we dat parcours tien tot twintig keer af. Stapeltjes stoofhout stelden de bergen voor, op de Tourmalet gooiden we ook borstels en aftrekkers, ging het om een tijdrit dan bonden we een sjaal om ons middel, maar ik ben vergeten waarom we dat deden. We noemden onszelf Rik van Steenbergen, Pino Cerami of Felice Bahamontes en liepen om ter snelst, dat spreekt vanzelf, prijzen waren er niet, toeschouwers ook niet. Al vlug had ik door dat eenmaal tikken tijdwinst opleverde en helemaal niet tikken vaak ritwinst, en Herman was in deze niet dommer dan ik. En Guido, wat was zijn rol? Ja, Guido, hoe zou het nog met Guido zijn, hij is onderhand al twintig jaar dood. Hij zat in een rolstoel en maakte de rugnummers, bedacht onze namen, was koersleider, noteerde de uitslag en berekende de klassementen. Hij dronk cola uit een echt flesje maar zonder rietje, wij water van de pomp. Zijn kleine broertje vergezelde hem overal, het droeg een schortje, maar geen broek, ik heb nooit begrepen waarom niet, zijn piemeltje was kleiner dan een mussenjong. Iedere rit eindigde in de grootst mogelijke chaos en overslaande ruzie tot deze of gene er zijn vader bij riep, en dan nog moest dikwijls een toevallige voorbijganger tussenbeide komen om een escalerende burenruzie te voorkomen zoals die keer dat er volksspelen gehouden werden en een spoorloos verdwenen bak bier de inzet was. Waar was ik gebleven? Ha, Herman studeerde voor psycholoog maar werd langdurig werkloze (ook niet slecht), slachtofferhulp bestond toen nog niet. Ikzelf was te dom om te helpen donderen, zie me hier zitten. Tja.
(P.S. Dit stukje was nog niet helemaal af als de gewezen onderwijzer van hier wat verder, die sinds jaren van verzekeren zijn lucratieve hoofdbezigheid heeft gemaakt, hier voorbij stapte met … jawel, een nieuwe pet op zijn hoofd! Zo ziet u maar: niks overdreven. Toch even vermelden dat hij de man is die ons tegen slotschade en sleutelverlies verzekerde, maar gisteren zelf niet binnen kon omdat zijn vrouw in de kliniek lag daar zij op oudejaarsavond bij het imiteren van Raf Coppens hun enige sleutel had ingeslikt.)
Ik was zes of zeven jaar, en stond met een pet op mijn hoofd in de verkeerde winkel. Het was koud, maar niet zoals vandaag, alhoewel, en er lag geen sneeuw zoals nu, maar toch. Een brood, sprak ik, maar op slag wist ik dat ze hier alleen koloniale waren verkochten, de goede oude tijd. De hele weg had ik gelopen, en aan ’t hoekske was ik bijna onderuit gegaan op de resten van een rottende appel, ja, lach maar, mijn dagje komt nog wel. Maar manneke, wedervoer (!) de toverkol, vanachter haar toog zo hoog dat ik haar zelfs niet zag staan en trillend op mijn stokkenbeentjes alleen kon horen wat ze zei, ik verkoop geen brood, daarvoor moet ge bij de bakker zijn. Ik legde mijn geld op de toog, misschien vreesde ik wel dat er toch een tol moest betaald worden, of een boete. (Mijn vader was een groot lezer: Dostojewski en zo.) Neenee, zei ze, alles is betaald, neem uw centjes maar mee, en daar verscheen haar hoofd, oeioei, en van tussen de plooien van haar kleedsel stak ze een vieze vette arm uit. Ik dacht aan mijn geld, maar ook aan mijn leven. De bakker is ginder, wees ze alsof ik dat zelf niet wist. Het probleem was echter dat ik in deze omstandigheden niet naar de bakker meer toe kon, leg dat maar eens uit. Oef, ik stond weer op de stoep, lucht, eindelijk weer lucht. Ik aarzelde heel even, en keerde me dan resoluut om. In sneltreinvaart naar huis. Zuchtend nog: het brood was op. Ja, het is daar ook altijd iets bij die bakker. Weet ge wat, ik zal pannenkoeken bakken, zei mijn moeder. Al met al een meevaller dus, maar ja, mijn vader moest toch eten als hij thuis kwam, 1955. Hij at niet zo graag pannenkoeken, wafels vond hij veel lekkerder. In de koekerkes maakte hij gaten en daar stak hij zijn neus door en zijn tong, en ook zijn oren en door de bovenste keek hij. Boehoe, riep hij dan, terwijl de nog warme wafel aan zijn gezicht bleef plakken, - wat een vader! Hoe was dat nu toch kunnen gebeuren vroeg ik me ’s avonds in bed af, zes of zeven jaar en al gewetensproblemen. Ik was dan ook nog niet onderwezen in de psychologische of filosofische ditte of datte, maar vorige week kocht ik voor minder dan een prikje de achtenveertigdelige Österreichische Bibliothek met daarin onder andere de verzamelde essays van Freud. Mij zullen ze niet meer hebben.
Op geregelde tijdstippen trekken steuntrekkers en toeverlaten van beeldschone vrouwen al zingend en scanderend door de straten van de hoofdstad van het land, van noord naar zuid via de beurs waar ze met z’n allen boeh roepen en een gebalde vuist tonen, en zij die gescheiden zijn van stoel en zetel een sigaret opsteken. Enkele uren later stappen dezelfden halfdronken en zelfvoldaan terug op de bus waarmee ze gekomen zijn, de enen verdwijnen richting Eigenbilzen-Daar-en-Boven en de negenhonderdduizend anderen nemen de metro in vijf tegenovergestelde richtingen. Op die manier worden in dit land het lot van de pedofielen, de voedselpakketten van de zeldzame koalabeer en het voortbestaan van autofabrieken geregeld of bezegeld. Al naargelang het jaargetijde dragen de betogers mutsen uit Peru, Italiaanse vredesvlaggen, en de schoenen, laarzen of sandalen van Ambiorix. Van 1967 tot ver in de tachtig stond ik ingeschreven op alle lijsten van protest, en moest ik als deeltijdse beroepsagitator de verplaatsingskosten zelfs niet meer op voorhand betalen. Al vlug ontdekte ik dat met het organiseren van betogingen aardig geld viel te verdienen en organiseerde ik zowel betogingen als de reizen erheen: twaalf betalers op een bus voor veertig mensen volstonden om honderd op honderd winst te maken op alle volgende inschrijvingen. We deden niet alleen Brussel en Antwerpen, maar ook Keulen, Amsterdam en zelfs Parijs, één enkele keer ook Barcelona, - de baas van het busbedrijf werd een persoonlijke vriend. Mijn adresboekje was goud waard, ik wist wie tegen wat was, en omdat alle vlees zwak is vond ik evenveel voorstanders van oorlog, kernenergie of gemengd onderwijs als de week nadien tegenstanders. In café Tijl smeedde ik plannen met de leden van Voorpost, Were Di en VMO, en er rechtover beloofde ik de minister van oorlog een flinke pandoering, en zie, op weg was ik al naar een vergadering van de Jong Communisten, mijn vriend was er trommelaar in ‘t muziek. De tijden dat het stil was gebruikte ik om plaatselijke actiegroepen op te richten die steevast geïnfiltreerd werden door leden van Amada die hun puistenkop voor een hamer hielden en hun gezaag voor een sikkel. Uit de mond van toekomstige ministers en burgemeesters heb ik toen vernomen dat ik een fascist was en een links varken, Marc V noemde me zelfs eens een echte anarchist, en daar ben ik nog steeds fier op, - zij zijn nu schatrijk en ik gelukkig, maar straatarm. (Ik onderbeek even om de Internationale te zingen.)
Het hoogtepunt viel in 1972 met de fameuze boerenbetoging, maar ook de oorlog in Vietnam is dankzij mijn persoonlijke tussenkomst gestopt, de kruisraketten kwamen er dan weer wel omdat de minister ons verkeerd begrepen had, en van veel zaken weet ik niet eens meer hoe ze afgelopen zijn, en of we voor of tegen waren. Naar de boerenbetoging ben ik per trein getrokken, en al van op het perron hoorde ik dat het hier om zeer linke en compleet foute boel ging, nooit vergeet ik de geur die me vanuit de binnenstad toewaaide. Her en der zag ik rieken en gaffels met afgebroken steel liggen, een lederen handschoen die nog bewoog, een tram die nog stond na te smeulen, en van een frituur stonden de wielen aan de bovenkant en alsof dat niet volstond hingen ze vol mayonaise, et cetera. Ik deed me uit veiligheidsoverwegingen voor als journalist, dat kon makkelijk zat want ik had toen nog geen baard en met een stoffen broek aan zag ik er helemaal niet links uit, ook spelde ik een witte fiche met de samenvatting van hoofdstuk drie van ik weet niet meer welke boek op mijn vest, en dat maakte veel indruk bij de manifestanten, waarvan sommigen nog nooit voordien in Brussel waren geweest. Natuurlijk hadden die boeren gemakkelijk praten, ze wisten al bij voorbaat dat hun eisen zouden ingewilligd worden omdat ze waren wie ze nog steeds zijn, en zo is het natuurlijk niet moeilijk om een halve stad af te breken, maar als ze dachten dat wij loonslaven die in drie dagen gingen heropbouwen, hier zie! Ik voerde toen heel wat dovemansgesprekken met veetelers uit de streek van Veurne en een varkenshouder uit Stabroek. Nu nog begin ik vanzelf naar koeienstront en paardenpis te stinken als ik foto’s van toen bekijk.
Laatst in Kopenhagen was ik er niet bij, daar is dan ook geen resultaat geboekt, integendeel. Maar geen nood, hier ten huize hebben we nu zeven spaarlampen, maar de rente staat zo historisch laag dat we overwegen terug over te schakelen op kaarsen, en vooraleer mijn fietsbanden op te pompen informeer ik op de 1207 naar de luchtkwaliteit, enzovoorts.
Nog vaak denk ik aan de trots van ons toenmalig gezin dat bestond uit mijn vader, mijn moeder, ikzelf en de op een dag helaas schielijk overleden kanarie Piet, jaren voordien op een zondagvoormiddag in een met touw toegebonden kartonnen schoenendoos met geprikte gaten voor verse lucht erin aan huis afgeleverd door ome Jozef die zoals steeds ook toen geen tijd had om binnen te komen, - pas veel later is me duidelijk geworden waarom. Over wanneer ik spreek? Anno 1961 staat er in sierlijk handschrift in de onbestaande zevende grijze register die ik persoonlijk als het hoogtepunt beschouw van onze unieke familiale annalen. Buitenshuis droeg ik in die dagen de lange broeken die mijn moeder eigenhandig verknipte uit de afgedankte vesten van mijn vader en de rokken van haarzelf, maar na schooltijd en als er geen bezoek verwacht werd, alsof er ooit wel eens iemand kwam, droeg ik nog vaak een korte broek met gaten in en bij wijze van grap trok ik ze al eens achterstevoren aan, wij stelden het immers goed met elkaar en hielden van een kwinkslag, wat niet wil zeggen dat we vuile moppen vertelden, en nu ben ik er zelf een. We roemden mijn vader omdat hij zo hard werkte, maar thuis deed hij niets: sigaartjes roken, een pijp opsteken, stoofhout kappen, als een zware kast moest vertild worden zeggen dat zijn rug zeer deed, met zijn hoed op wachten tot mijn moeder klaar was om altegader naar de wekelijkse hoogmis te trekken, met opgetrokken bovenlip eten wat de pot schafte, en ook de rest van zijn doen is van weinig of geen belang. En zo gebeurde het dat.
Mijn moeder dacht dat mij een grote toekomst wachtte, een neef van haar kon immers zwemmen en onze huisdokter reed met een Cadillac, dokter Peeters daarentegen verplaatste zich per fiets en die kwam er bij ons niet in. Dat allemaal in acht genomen besloot ze op een dag een echte boekenkast te laten maken van planken die mijn grootvader een leven lang op zolder had bewaard, en op een derde deel daarvan had zij recht, hoor ik haar nog schreeuwen tegen haar broer, een achtenvijftigjarige misdienaar. Een kwartier later torsten mijn moeder, mijn vader en ik zwijmelend iets meer dan een halve kerselaar verzaagd in planken van drie en vier meter het voorouderlijke huis uit, en als ze iets zeggen, sprak mijn moeder, zeggen we dat we ons mispakt hebben. Hop, naar de overkant van de straat waar Bertine woonde wiens ontrouwe man schrijnwerker was als hij niets anders te doen had, want die wist wel wie hij gehuwd had, immers zo lelijk als Bertine was en nog heviger dan haar vette winden stonken, zo rijk en dom was ze. In die tijd had op de buitens vrijwel iedereen een gezaagde boom in voorraad, en in de bergen is dat nog steeds zo, genoeg droog hout om bij een onverwachte scheiding in de kortste keren een nieuw huis te bemeubelen of in een kist te voorzien bij een schielijk overlijden, zelfs een huwelijk van moetens kon zo moeiteloos gepareerd worden. Dat toen een geit als de koe van de arme werd beschouwd, het varken voor vet spek zorgde, kippen voor wat anders en de vakbond voor veel miserie, het doet hier allemaal niet terzake. Een meter tachtig breed en een meter vijfentwintig hoog, vijfendertig centimeter diep. Waar ze die maten vandaan had weet ik niet, maar ze klopten wonderwel. Ik had haar wel eens een atlas van mij zien opmeten, en ook een Prismaboekje zonder kaft, waarna ze in felle berekeningen verwikkeld was geraakt. Het was al donker voor ze klaar was en haar papier al lang op, de punt zelfs van haar potlood gebroken, ja, toen zij jong was studeerden er nog geen vrouwen voor burgerlijk ingenieur, en ook niet voor architect. De goede oude tijd. Soit, op een dag werd de kast geleverd en twee namiddagen later was ze donkerbruin gebeitst en volgens mij verkeerd in elkaar gestoken. Veel meer dan een bouwpakket had de zogezegde schrijnwerker immers niet afgeleverd, en dat hij duidelijk andermans minderwaardige planken verzaagd had kon het kleinste kind zien, maar durfde geen van ons hardop te zeggen. In minder dan een week was de kast droog, zo dachten we, maar ik heb nog altijd oude schoolboeken waar de beits onherroepelijk was ingeslagen. En omdat ik mijn moeder nogal onhandig had geholpen met het beitsen en white spirit op menselijke huid een averechts effect heeft, dacht men op school zelfs dat ik een zeldzame ziekte opgelopen had, - helaas, neen. Ondertussen studeerde ik volgens de wensen van mijn moeder voor tenniskampioen, kapitein met zeemanspet en notaris in West-Vlaanderen, sprak ik zeven talen, won ik op tv de ene quiz na de andere en kreeg ik een gastrol aangeboden in Bonanza alwaar ik het mooiste paard bereed en de dochter van pa Cartwright junior huwde, maar uiteindelijk werd ik toch maar handlanger zoals iedereen, en neen, ik zeg niet van wie.
Omdat de jaren van verstand aan mijn jongste zoon voorbijgingen luisde hij mijn moeder de kast af, en hij verfde ze oranje banje bleu, maar dat wist hij niet, en hij stapelde ze vol video’s van twijfelachtig allooi, sommige droegen zelfs Vlaamse titels. Bovenop de kast prijkt nu een sigarenkistje dat er uitziet als het verzameld werk van Shakespeare, een gift van zijn schoonmoeder van wie kwatongen beweren dat ze kan lezen en zelfs schrijven, en uit het boekje Toebak van Felix Timmermans dat de andere kant van de kast siert komt rook en muziek als het geopend wordt, ik zal maar niet zeggen in welke winkel hij dat heeft gekocht. Wat eens de trots was van mijn moeder symboliseert nu de ondergang van de hele familie.
Er wordt wel eens door kinderen van deze of gene god of door bruidegoms van een of andere moedermaagd beweerd dat het gezin de hoeksteen van de maatschappij is, - mij niet gezien. Ook voel ik me niet geroepen om de belangen van Jan den Arbeider of Mie Werkloos te verdedigen, alsof die zelf al niet genoeg losse handjes hebben. Wat ik dan wel voor ogen heb, wordt door de waan van de dag aan het zicht onttrokken. Ik beweer maar dit: men kan niet een beetje pacifist of een tikkeltje geweldloos zijn, en men is moordenaar van mens of dier, eet vlees of doet het niet. Zo ook vliegt men niet de wereld rond met de deur op een kier, en roept men in geval van nood niet de agent die men anders bestrijdt, enzovoorts.
Ik bedoel, heer Octo, waarde Staf, wat haalbaar is loont niet de moeite om na te streven, het is alleen maar schande dat het nog niet verwezenlijkt is. Straten te over op deze druk bewoonde planeet die nooit de mijne is geweest, maar de enige juiste weg is het onbewandeld pad dat niemand kent, dat onherroepelijk leidt naar wat onbereikbaar is en blijft. (Dardenne zou het niet beter gezegd krijgen, alhoewel ook zijn collega’s kemels zonder bulten zijn.)
Maar als mensonterend vreest Octo de dag dat uit grootmoeders spaarpot alle werklozen in de familie zullen worden onderhouden. Het lijkt een doembeeld, maar ik vind het een schitterend idee, en in deze dagen van donkerte welhaast het enige straaltje licht tot ver voorbij de evenaar. Zelf maak ik me geen zorgen, neven en nichten zat, doch stel u eens voor. Het volstaat de rinkelende kassa’s het zwijgen op te leggen, en idem dito met de pensioenen en de invaliditeitsuitkeringen, en met de lonen en de wedden, en ga zo maar door. De koninklijken worden alle dotaties ontnomen, de soldaten ontvangen geen soldij meer, de hele volksvertegenwoordiging wordt met onmiddellijke ingang op vrijwilligersleest geschoeid, en zij die graag vis eten moeten maar zelf een lijn uitgooien. Men doodt onderweg op een of ander boerenhof het varken of de koe waarvan men straks wil smullen. Het geld dat men belegt smelt als sneeuw voor de zon, en wie over spaargeld beschikt zal zijn straf niet ontlopen. Het huisvuil wordt niet meer opgehaald, de bakfiets vervangt de hufterscar. De straten worden niet meer geveegd, de winkels niet meer bevoorraad, de voetballen niet meer opgeblazen. De oudste dakloze van het land krijgt van alle stations de sleutel, en al zijn maten drinken gratis in café Terminus. Priesters en imams wisselen van boek en broek, kinderen weigeren na schooltijd huiswaarts te keren, want van alles willen ze meer weten dan de onderwijzer hen kan leren. Ook is het nu vier uur, koffie en gebak roepen mij aan de zelfgemaakte tafel.
Nadat hij me al op elektronische wijze met zijn nieuwjaarswensen had bestookt, vond een hoogbejaarde maar weinig fijnbesnaarde, edoch uitermate ijsgerige en eergierige professor op rust het nodig om mij dienaangaande nog eens uitgebreid telefonisch te molesteren, met de kop tot de voeten erin, - waarom? Heb ik hem wat misdaan, dat hij het me dan vlakaf zegt. Wil hij roet in mijn eten gooien, ik zal me met graagte tot drinken alleen beperken. Nu kan ik maar één kant meer uit, de verkeerde: stoppen met dit blog terwijl die van mezelf doorslaan, her en der het bericht verspreiden dat ik overleden ben en me uitgeven voor mijn broer, ook al ben ik nog steeds het enig kind van mijn ouders, en hij dus ook. (Die ochtend in de krantenwinkel: … Heeft hij zich eindelijk verhangen, ja? ’t Werd tijd, een goede zaak voor iedereen. Een ongelofelijk beue vent, dat was het. En: Hij is ook niet oud geworden. Ach, nog veel te oud volgens zijn ouderdom. Het schijnt dat ze hem in Gent ooit nog hebben binnen gestoken, ze hadden hem daar beter gehouden. En op de hardstenen tot marmer gepolierde dorpel: Weet ge het al? Enzovoorts.) Alle pret is echter voorbarig.
Pas vorige week kwam ik te weten dat einde september van vorig jaar in Dendermonde op 82-jarige leeftijd de onvolprezen Adolf Celbeton Merckx overleed, - tot zolang leefde hij, steeds meer en meer teruggetrokken, waarschijnlijk tot de bevinding gekomen dat, enzovoorts. (Toen een geboren en getogen Antwerpse schrijvelaar hem eens contacteerde met mijn groeten, trok hij zelfs mijn bestaan in twijfel! Een mooier compliment kon hij me niet maken, tenzij wat hij jaren tevoren over mij in De Vlaamse Gids had geschreven.) Zonder hem zou ik niet zijn wat ik nu ben: een complete mislukking, maar ik ben er wel blij om en fier op dat ik hem ooit persoonlijk heb gekend. Nog deze week bericht ik er uitvoerig over in De Fluitjeskrant.
Nooit is mijn diep nadenken iets anders geweest dan het eindeloos piekeren van een maniakaal leeghoofd. Wat ik vandaag zo fijn als zinnig mogelijk neerschrijf, daar schaam ik me morgen oprecht en met reden over. Dus: weg ermee, schrappen maar, schrijverij in de aanbieding, ik ben al teweeg een viskraam te openen. Maar daar sta ik dan om kwart voor twaalf, want er moet gekookt worden en ik ben nog niet rond met de boodschappen, en fluisterde de muze niet in mijn oren dat er nog moest gestofzuigd worden. Erger is dat ik na een aantal jaren van intensief internetten tot de slotbeschouwing ben gekomen dat de zin van het medium me al die tijd ontgaan is, en dat ik de toegevoegde waarde van mijn eigen schrijfsels zwaar heb overschat terwijl mijn eigen kunnen amper kan onderschat worden.
Hij rooide alle bossen, uiteraard niet op zijn eentje.
Van alle bomen verzamelde hij de stam, de takken en
de bladeren, de wortels liet hij voor wat ze waren: de wortels.
De bladeren kleefde hij aan de takken, de takken aan de stammen,
de stammen aan de wortels. Daar liep het mis.
Evenzo verging het alle graspollen, ieder kruid, elk gewas.
Telkens liep het mis, nooit iets uit zijn handen dat goed was.
Klokte het buiten elf, zal wel, hij droeg geen horloge.
Regende het hard, een regenscherm had hij niet.
Met hem liep alles mis, oorlog was het niet. Alhoewel.